Op de laatste dag van de cruise stak er een storm op, die de glazen over tafel duwde en het schip zo deed deinen dat je met moeite de horizon kon zien. Mijn vriendin heeft al geen
zeebenen, dus was ze een van de eersten die met een groen gezicht de eetzaal verliet. Al snel volgden de andere medereizigers… Uiteindelijk was ik de enige die overbleef, met een knappe Zweed die eerder die avond aan me was voorgesteld. Een man met iets te lang blond haar en mooie ogen en een naam die ik onmiddellijk vergeten was, maar van wie ik meteen dacht: wow! We bleven hangen aan de bar, en dronken whisky, terwijl het schip van de ene kant naar de andere rolde. Ik ben nooit zeeziek, en ook niet bang, dus toen hij voorstelde om het dek op te gaan, zei ik ja. Boven kwamen we in een donkere, woeste wereld; de zee brulde en zo nu en dan sloegen er hoge golven over het dek. We moesten elkaar stevig vasthouden om overeind te blijven. De opwinding sneed mijn adem af: hij en ik te midden van al dat oergeweld… Ik huiverde, en hij trok me tegen zich aan en sloeg zijn jasje om ons heen. Ik weet niet wat er harder bonkte: mijn hart of de golven.

‘BIJ HEM IN DAT SMALLE
BED, MET DE WIND
DIE TEGEN DE LUIKEN
BONKTE, VOELDE IK ZO
INTENS DAT IK LEEFDE,
EN STERK WAS, EN
VERLEIDELIJK’

Toen hij me kuste, smaakten zijn lippen naar zout en op zijn tong kon ik de whisky nog proeven. En toen zijn vingertoppen mijn hals streelden, op dat ene plekje dat me altijd doet smelten, was ik verloren. Hoe we in zijn hut zijn geraakt, weet ik niet. En ook niet hoe we uit onze kleren zijn gekomen. Ik weet wél dat zijn borst breed was en zijn armen gespierd en het Engels waarin hij geile woordjes fluisterde, iets voor gevorderden.

Lees verder op de volgende pagina

1 2 3
bekijk op één pagina

Lees ook: