Chef-mode Els Keymeulen spot elke maand what’s hot & what’s not. Afgelopen maand werd ze geconfronteerd met haar voetenfobie, maar leerde ze ook een waardevolle les.

 

“Schimmelnagel, hebt ge dat?” Het klonk een beetje gemoffeld, van achter dat mondmasker, maar ik had het toch echt goed verstaan. “Ikke wel. Kijk!” En ze stak twee blauwe sandalen met voeten erin naar voor, mijn richting uit. Nu moet je weten: voeten vind ik erger dan Jaws – ik heb dus niet gekeken. Maar misschien willen jullie graag weten hoe dit verhaal begint. Komt-ie.

Ik heb een zeldzame ziekte. Niks geen horrorverhalen, gewoon een weinig voorkomende auto-immuunziekte, waarvoor ik twee pilletjes per dag neem, en af en toe naar de dokter moet. Ter controle, en ook gewoon omdat ik ervan overtuigd ben dat dokters me graag zien komen. Ik ben namelijk zeldzaam, en dus spannender dan iemand met een gebroken been. Toen ik voor het eerst mijn diagnose kreeg, werden, geloof ik, alle stagiairs van het UZ opgetrommeld. Zo van ‘Moet je luisteren, nu goed nota’s nemen want dit wordt een examenvraag’. Maar dus het was weer zover; ik naar het ziekenhuis, voor een bloedstaal of tien, en een paar testen.

In de wachtzaal bij de endocrinoloog is het meestal druk, want endocrinologie, dat zijn vooral diabetespatiënten, en daarvan zijn er helaas nogal wat. We zaten in een open ruimte – een gang, eigenlijk – met een stuk of wat gemondmaskerde mensen; de meeste allemaal vrouwen, de anderen allemaal ouder dan zestig. Er zijn geen magazines meer (corona), en geen drinkbekertjes (corona), dus het is al bij al best saai, en soms lang wachten. Gelukkig zijn er dan de oudere diabetespatiënten, die bijna altijd hilarisch uit de hoek komen. “Warm hé”, gooide de eerste in de groep. “Amai”, antwoordde een andere, en om te kunnen antwoorden had ze eerst haar mondmasker afgezet. “Mag niet hé!”, zei dan weer de ene, “De corona is hier!”. Alsof het een soort monster was, ‘de corona’, die ronddwaalde door ziekenhuisgangen en af en toe eens iemand opat. De ene mevrouw zette snel haar mondmasker weer op.

 

‘Al die oudjes met diabetes; ik heb er echt mee te doen. Ik hoop alleen dat het sandalenseizoen snel voorbij is’

 

“En gij, zo jong en al de suiker.” Dat was dus tegen mij. ‘Suiker’ is volkstaal voor diabetes, en elke keer is er wel iemand die medelijden met me heeft omdat ik daar zit. Meestal lieg ik dan, en knik ik van ‘ja’ en ‘spijtig’, want ik heb geen zin mijn hele verhaal uit te leggen. Zo ook nu. “Ja, haha, lastig hé.” “Heel lastig”, ging het mevrouwtje verder, “en ja, veel bijkomstigheden hé. Ik heb overal wondekes, en dat gaat niet toe hé. Lastig. Gij ziet er nog redelijk uit. Ge zijt toch nuchter?” Ik hoopte vurig dat het bijna aan mij was, maar het vrouwtje had eerst nog een prangende vraag: “Schimmelnagel, hebt ge dat? Ikke wel. Van de suiker. De pedicure komt, maar ja, weinig aan te doen.” Ze stak haar blauwe sandaaltjes naar me uit, en ik deed van ‘ jaja, oeioei’ zonder mijn ogen van mijn gsm te halen, want voeten, dat is een fobie. “Allee”, zei ze, “ik laat u verder internetten, ’t is precies interessant.”

En ik besefte: het is eigenlijk niet tof dat ik niet wil praten. Dit mevrouwtje zoekt een buddy, en ik kan eigenlijk best doen alsof. Het kost me geen tijd – ik zit er toch -, en eigenlijk ook geen moeite. En al die oudjes met diabetes; ik heb er eigenlijk echt mee te doen. Ik hoop alleen dat het sandalenseizoen snel voorbij is.

 

Lees ook de vorige columns van onze chef-mode: