Chef-mode Els Keymeulen schrijft elke maand in Feeling over haar wedervaren in modeland. Al durft er af en toe ook een meer dagdagelijks verhaal tussen kruipen. Zo hielp ze afgelopen maand twee vriendelijke Nederlandse dames die op zoek waren naar ‘de Meijer’…

“Hoi mejuffer! Mogen we jou wat vragen? Je lijkt me wel lokaal hé, met je kekke sandalen. Echt helemaal Antwerps! En wát een leuke hond! Is-ie aardig? Kan ik ’m aaien?” Ik bevind me in mijn eigen straat, met hond Bennie, en er komt een Nederlandse mevrouw met bijpassende vriendin aangegesticuleerd. Ze zijn alle twee midvijftig, helemaal gekleed op een dagje Antwerpen – sneakers, jeans, regenjas – en komen récht op me af. “Nou kijk nou, wat leuk die sandalen, helemaal met bont en zo. Kan hier nog hé, bont. In Nederland sta je voor lul, hoor. Maar hier kan het nog. Wat leuk.” Ze wisselen met z’n tweetjes nog even wat aannames uit over m’n slippers – overigens groen nepbont, ooit gekocht in Stockholm – en de hele tijd sta ik braaf te wachten op de vraag. “De Meijer, is dat ver van hier?” Oh ja. De Meijer.

Even wat randinformatie: mijn straat, net buiten het stadscentrum van Antwerpen, moet ooit opgenomen zijn in een Nederlandse succesgids over Antwerpen als dé straat om te parkeren. Vooral tijdens de zomermaanden worden we overspoeld door Nederlanders die hun auto voor onze deur stationeren, vervolgens de tram richting centrum nemen en en passant vragen a) waar de Meijer is b) of ze even van ons toilet mogen gebruikmaken en c) of ze een boete riskeren als ze geen parkeergeld betalen. Maar dus, de twee dames willen naar de Meijer.

‘De Meijer, is dat ver van hier?’

“Ah”, zeg ik. “De Meir. Dat is toch wel een halfuur wandelen van hieruit. Tikje naar links, dan altijd rechtdoor, dus heel makkelijk. De tram hiertegenover gaat ook naar de Meir; lijn 2, duurt 9 minuten.” Normaal gezien ben ik er dan van af; de citytrippende Nederbuur knikt dan vriendelijk en holt richting tram, maar niet deze twee dames. “Nou eeeeecht? Nou dat is nog een heel eind. En de trem, is dat dan een rechtstreekse verbinding?” Nee, zeg ik, je moet overstappen, en ik wil er nog gratis bij vertellen waar precies ze moeten overstappen, maar de dames hebben al beslist: “Nee, overstappen gaat niet gebeuren, hé Leet? Komen we geheid in Brugge uit.” Daar moeten ze samen enorm hard om gieren.

Ik neem afscheid, wens hen veel plezier, en haal m’n huissleutel uit m’n zak. “Mejuffer, toch nog effie gebruik van u maken”, aldus spreekt de zogeoemde Leet. “U kent vast wel een plekkie om te lunsen. Waar gaat u nou zélf. Niks bekends of zo. Waar u nou zélf gaat. Willen we weten.” “Oké”, zeg ik. “Ik lunch graag bij Barnini; lekkere bagels, tof zitten, klein terrasje.” Maar de dames zijn niet zo van de bagels, en of ik iets anders weet. Bennie begint intussen achter z’n eigen staart te jagen – altijd een teken van een nakende zenuwinzinking, dus ik moet nu écht weg. “Kijk,” zeg ik, “als u klassiek wilt lunchen, loop even naar de Graanmarkt; een tof plein, en allerhande opties. Graanmarkt. Mooie winkel ook. Héél fijne dag nog!”

“Nou meid,” spreekt de ene, wier naam me niet duidelijk is, “hartstikke dank je wel. Je hebt ons reuze geholpen. Hebben wij weer sjans, dat we recht op een buurtbewoner lopen. We gaan hier lekker rechtsaf, doen van lunsen op de Graanmarkt en dan die Meijer leegkopen, hé Leet?” Leet knikt van ja, en zegt: “Ga jij maar lekker naar huis toe, want je hond moet geloof ik poepen.” “LINKSAF!” roep ik hen nog na. En ik bedenk me vandaag, bijna een maand na deze olijke ontmoeting, dat ik ze mis, de Nederlanders voor onze deur. Onze stad is stil, en kil, en mist mensen. Wie tóch wil komen: we zijn gastvrij. Er is parking voor mijn deur. En wie een mondmasker draagt, mag zélfs even naar het toilet. Tot snel?

 

Meer columns van Els Keymeulen: