Marah Marouf (23) vluchtte in 2015 uit Syrië naar Nederland. Daar kwam ze onder de metro terecht en verloor haar been.

 

Van oorlog naar vrede

“De oorlog in mijn land maakte me radeloos. Ik was twintig jaar en zag geen toekomst meer. Mijn studie Frans aan de universiteit had ik moeten stoppen, er was geen enkel vooruitzicht op vrede, elke dag vielen er zoveel doden. Als ik iets van mijn leven wilde maken, moest ik het elders zoeken, besloot ik. Ik woonde met mijn ouders, broers en zussen aan de Syrische kust, de plaatsnaam wil ik liever niet vernoemen. We besloten dat alleen ik zou vertrekken, mijn broers en zusjes waren te jong om zo’n lange reis te ondernemen. Zo vertrok ik, samen met een groepje vrouwen onder wie moslima’s en christenen. Ik kom zelf uit een christelijk gezin.

Via Turkije en Griekenland ben ik te voet door Europa getrokken om uiteindelijk in Nederland terecht te komen. Ik verhuisde van het ene asielcentrum naar het andere, leerde intussen Nederlands en op een dag kreeg ik een studentenkamer toegewezen. Ik volgde ook de opleiding Aviation aan de hogeschool in Amsterdam, omdat ik graag op een luchthaven wilde werken. Mijn Nederlands ging er zo snel op vooruit dat ik naast mijn studie actief was als tolk Nederlands-Arabisch. Alles ging goed. Tot die ene dag, 12 april 2017.

Het tij kan snel keren

Van het ongeluk zelf kan ik me niets meer herinneren. Wat ik ervan weet, heb ik gehoord van hulpverleners, politie en uit de krant. Ik had net mijn laatste examen Nederlands gedaan, was geslaagd en verkeerde in opperbeste stemming toen ik in Amstelveen naar huis wandelde. De metro daar rijdt een stuk bovengronds. Het regende, ik had mijn capuchon op en heb de metro kennelijk niet gehoord of gezien. Op diezelfde locatie zijn al verschillende mensen door de tram of metro aangereden, het is blijkbaar een heel gevaarlijke plek. Inmiddels is de bewuste metrolijn opgedoekt. Niemand heeft het daar overleefd, alleen ik.

“In het begin geloofde ik ze niet. Ik voelde mijn been, hoe kon het dan weg zijn?”

Van de hulpverlener die het eerst ter plaatse was, hoorde ik nadien dat mijn lichaam vastzat onder het metrotoestel. Ik heb er zeker drie kwartier onder gelegen terwijl reddingswerkers met man en macht probeerden me vrij te krijgen. Ze hebben de tram op blokken gezet zodat het toestel werd opgehoogd. Al die tijd hield die hulpverlener mijn hand vast. Hij bleef maar tegen me praten, vertelde hij achteraf. Om te voorkomen dat ik dieper in coma weggleed, vermoed ik.

De coma heeft drie weken geduurd. Ik had bloedingen in mijn hersenen, mijn oog en mijn oor. Mijn gezicht lag open, mijn nek was kapot, mijn milt gescheurd, mijn rechterbeen was op vijf plaatsen gebroken, mijn linkerbeen werd tot de helft geamputeerd. Ik geloof dat ik die eerste periode iets van elf operaties onderging. Toen ik wakker werd uit de coma, was ik niet in staat om mijn hoofd op te tillen en naar mijn been te kijken. In het begin had ik er geen idee van dat het al was geamputeerd. En toen ze het me vertelden, geloofde ik het niet omdat ik zware fantoompijn had. Ik vóélde mijn been, hoe kon het dan weg zijn? Daarbij was ik zo versuft door de medicatie dat het niet echt tot me doordrong.

“In de plaats van te treuren om wat ik niet meer kon, focuste ik me op wat ik wel nog kon”

Maar stilaan kwam het besef. De eerste weken vroeg ik me constant af waarom dit had moeten gebeuren. Ik was helemaal uit Syrië gevlucht voor de oorlog en dan kom je in een veilig land terecht en gebeurt er zoiets. Ik kon het niet bevatten. Maar ik besefte al gauw dat ik niets opschoot met piekeren over het waarom. Het was gebeurd en daar was niets meer aan te doen. Ik kon me beter concentreren op het feit dat ik nog leefde en dat ik nog heel veel mogelijkheden had. In plaats van te treuren om wat ik niet meer kon, focuste ik me op wat ik nog wel kon. Ik wilde zo snel mogelijk verder gaan met studeren, wilde zo snel mogelijk mijn leven weer oppakken en leren lopen. Mijn moeder is uit Syrië overgekomen om me te helpen, want die eerste periode kon ik niet stappen, niet douchen, geen eten maken, niets. Toen ze drie maanden later naar huis terugkeerde – haar visum werd niet verlengd, dus ze moest wel – was ik op mezelf aangewezen. Gelukkig kreeg ik hulp van mensen van de kerk.

“Neen ik kan het niet” is geen optie

De dokters voorspelden dat het minstens drie jaar zou duren voor ik zelfstandig zou kunnen stappen, met een prothese. En zelfs dat was niet zeker, misschien zou ik zelfs helemaal nooit meer kunnen lopen. Maar dat kon en wilde ik niet accepteren. Elke dag zei ik tegen mezelf dat het me zou lukken, dat ik opnieuw zou gaan lopen. Puur omdat ik het wilde. Het is door die wilskracht dat ik het redde. Ruim negen maanden na het ongeval stapte ik volledig zelfstandig rond, met prothese en zonder krukken. De artsen spraken van een wonder.

Inmiddels zijn we twee jaar verder. Het gaat goed met me, al heb ik problemen met mijn prothese, want die blijkt niet echt geschikt. Ik hoop dat ik binnenkort een andere koker voor mijn been kan krijgen. Nu, ik kan er desondanks behoorlijk goed mee weg. Ik ben bezig voor mijn rijbewijs. En ik dans. Thuis dans ik elke dag, en in het weekend op feestjes. Al zit mijn rechterbeen vol metalen platen en schroeven en doet het altijd pijn, toch dans ik met heel veel plezier. Met de pijn zal ik sowieso moeten leren leven, die zal nooit weggaan.

” Ik moet leren leven en dat doe ik met volle overgave”

Mijn studie heb ik moeten opschorten omdat ik nog veel tijd kwijt ben met alle afspraken in het ziekenhuis. Maar ik hoop binnenkort opnieuw aan het werk te gaan in de horeca, net als vroeger. Ik weiger om mijn hoofd te laten hangen, zo zit ik niet in elkaar. Lang niet iedereen begrijpt dat. Hoe ik kan lachen en vrolijk zijn, vragen sommigen me. ‘Omdat ik weiger een slachtoffer te zijn’, zeg ik dan. Ik ga ook weer naar het strand, in mijn bikini. Al zitten mijn buik en mijn rechterbeen vol littekens, en heb ik die prothese aan mijn linkerbeen, ik trek het me niet aan. Soms schrikken de mensen als ze me zien. In het begin vond ik dat heel pijnlijk, inmiddels trek ik het me niet meer aan. Als sommigen te lang kijken, spreek ik hen aan, vraag ik: ‘Is er iets?’ Zo bijt ik van me af.

De belangrijkste les die ik uit dit ongeluk heb geleerd, is dat je het uiteindelijk toch alleen moet doen. Ik moet zélf leren lopen, zélf iets van mijn leven maken. Al zijn er mensen rondom mij die me steunen, ík ben degene die met die prothese en met dat verminkte lichaam moet leven. Maar dat doe ik met volle overgave. Ik heb geen tijd om te treuren, geen minuut zelfs.”

 

Nog meer straffe getuigenissen:

Tekst: Joanie de Rijke – Foto: Duncan de Fey