Jeanine (83) kan je al 60 jaar terugvinden aan haar strandcabine in Oostende. Haar ouders kochten de kabine in 1958, vandaag geniet ze er van een glaasje bubbels of porto met vriendinnen.

Jeanine: “Mijn ouders kochten een cabine in het jaar 1958, toen ik een meisje van twintig was. In die tijd moesten mensen nog gaan bieden op de cabines, wat voor heel wat stress zorgde, want elk jaar opnieuw moest je je op een vaste dag gaan verzekeren van jouw specifieke cabine. Sommige plekjes waren zo gegeerd dat de prijzen omhoog schoten. Omdat ze op een hoekje lagen, bijvoorbeeld, of een prachtig uitzicht hadden op de zee. Gelukkig is dat bieden op een bepaald moment afgeschaft.

‘De cabine is mijn huisje op het strand. Ik heb ondertussen meer dan zestig jaar dezelfde’

Als jong meisje ging ik op mooie dagen altijd iets eten in mijn middagpauze aan de cabine, vaak kwam mijn moeder dan tot daar met mijn middaglunch. Mijn ouders hielden hun cabine tot aan hun dood. Mijn vader overleed op zijn 77ste en zat – hoewel hij doof was geworden en nog weinig contact kon leggen met de andere cabinemensen – op zijn 76ste nog altijd aan zijn cabine aan het strand. Ik ben zelf altijd alleen gebleven, en de cabine is mijn huisje op het strand. Ik heb ondertussen meer dan zestig jaar dezelfde. Nu ik te oud ben geworden voor verre vakanties of zelfs dagtrips, is mijn cabine de plek die mij jong houdt. Ik zit hier tussen mensen die ik al vele jaren ken en die ik heb zien vrijen, trouwen en soms ook scheiden. Zelf heb ik geen kinderen of kleinkinderen, maar de kleinkinderen van de andere cabinebewoners brengen me vaak een bezoekje, en daar kan ik erg van genieten.

Op een mooie dag vertrek ik te voet en doe ik er een halfuurtje over om met mijn karretje aan het strand te geraken. Ik zou in principe ook een cabine dichter bij mijn appartement kunnen huren, maar dan zou ik mijn vriendinnen missen. In het weekend aperitieven we vaak samen: ’s middags met mijn ene cabinevriendin, ’s avonds met de andere, een porto of een glaasje bubbels. Vroeger ging ik vaak zwemmen in zee. Dan was het mijn vaste routine om aan te komen, mijn gerief in de cabine te leggen en eerst even de zee in te gaan, als er nog weinig volk was. Ik was gek van zwemmen, zeker als de grote maalboot hier in Oostende nog op zee draaide. Die was klokvast, je wist altijd hoe laat het was als hij aankwam, en als hij gedraaid was, had je de heerlijkste grote golven. Sinds een jaar of twintig is die gestopt met varen, jammer genoeg. Zwemmen is me ook veel te inspannend geworden. Ik mis het wel, maar ik heb te weinig kracht om het nog veilig te doen.

‘De cabine houdt me jong, ik zal blijven komen tot het echt niet meer gaat’

In mijn cabine heb ik een gasvuurtje, zodat ik koffie en thee kan maken. Een paar stoelen voor als er bezoek komt, een spiegel zodat ik kan zien hoe ik erbij loop, een klok. Ik breng mijn eigen eten mee, wat koude aardappeltjes met groentjes en vlees, luister wat naar de radio, lees een boekje. De cabine houdt me jong, ik zal blijven komen tot het echt niet meer gaat. Soms kom ik tijdens het jaar de mensen van de cabine tegen in Oostende. Dat is altijd goed kijken, want je bent elkaar niet gewoon met jassen en veel kleren (lacht). Dan zeggen we tegen elkaar: ‘Nog zoveel maanden en we zitten weer aan de cabine!’ Elk jaar tel ik af, ook na zestig jaar, zonder ook maar een jaar over te slaan. Ik heb ook grote reizen gemaakt, naar Amerika bijvoorbeeld, maar ik ging altijd voor of na het cabineseizoen. Tussen april en september zal ik op een mooie dag niet snel ergens anders zitten. Wie mij zoekt, weet me altijd te vinden.”

 

Lees meer over strandvakanties:

Tekst: Kelly Deriemaeker
Foto: Duncan De Fey