In het leven is het normaal dat ouders eerder gaan dan hun kinderen. Maar wat doet het met je als je beide ouders overleden zijn? Muriëlle vertelt over het gevoel van verweesd achterblijven.

De moeder van Muriëlle (25) stierf aan de gevolgen van een longinfarct toen haar dochter 12 was. Vier jaar later overleed Muriëlles vader aan een hartstilstand.

“Het gebeurde toen ik elf jaar was. Mijn mama werd ’s nachts onwel en mijn stiefvader bracht haar naar het ziekenhuis. ’s Morgens hoorde ik wat er was gebeurd. Ze had een hersenbloeding gekregen en lag in coma. Ik kan het me niet goed meer herinneren, alleen dat ik heel goed begreep dat er iets ernstigs aan de hand was. Ze heeft wekenlang in coma gelegen, ik bezocht haar elke dag met mijn opa en oma. Ik ben enig kind, mijn ouders scheidden toen ik zes jaar was.

Toen de artsen besloten haar wakker te maken, was ze er heel slecht aan toe. Haar verstand was nog goed, maar ze kon niet slikken en zich niet bewegen. Na een paar maanden ging het beter en hoewel het lang zou duren, wisten we dat ze er bovenop zou komen. Maar haar beademingsbuis was niet juist geplaatst, is achteraf gebleken. Haar longen werden daardoor aangetast en dat is haar uiteindelijk fataal geworden. Ze is gestorven aan de gevolgen van een longinfarct. Ze was 35 jaar.

Vanaf dat moment was het gedaan met kind-zijn. Op school viel ik uit de groep. Mijn vriendinnen vond ik kinderachtig, ik had de laatste maanden zo veel meegemaakt dat ik me stukken ouder voelde dan zij. Ik woonde bij mijn grootouders van moederskant. Met mijn biologische vader had ik een goed contact, maar hij woonde op dat moment zelf bij zijn ouders. Ik zag hem om de twee weken. Toen hij een nieuwe vriendin leerde kennen en samen met haar een huis kocht, ben ik bij hen ingetrokken. Zijn vriendin had twee kinderen, we vormden een gezin en dat vond ik heel fijn. Dat was ongeveer een jaar na mijn moeders dood.

Maar stilaan werd het anders. Ik had altijd mijn ritueeltje ’s avonds. Er stond een foto van mijn moeder naast mijn bed, en ook een van mijn opa die een jaar na mijn moeder is gestorven. Ik gaf elke avond een kusje aan de foto’s, keek onder mijn bed of er niemand zat, zei slaapwel tegen mijn mama en opa en ging slapen. Maar hoe ouder ik werd, hoe meer ik begon na te denken. ‘Waar zijn ze nu eigenlijk? Kijken ze nog wel naar me? Weten ze nog iets over mij?’ Langzaamaan begon ik te beseffen dat het leven eindig was. Het maakte me letterlijk doodsbang. Als ik in bed lag, werd ik dikwijls zo angstig dat ik bijna niet meer kon ademen. Omdat ik besefte dat er ooit een tijd zou komen dat ook ik er niet meer zou zijn. ‘Wat doe ik hier eigenlijk als ik uiteindelijk toch moet doodgaan? Als ik alleen maar ellende meemaak om dan ten slotte te sterven?’ Dat soort existentiële vragen spookten door mijn hoofd. Ik was bang. Doodsbang. Ik wilde niet doodgaan. Zo lag ik avonden lang in bed in mijn eentje te huilen. Ontroostbaar.

“Als kind al besefte ik dat het leven eindig is. Doodsbang lag ik elke avond in mijn bed te huilen. Ontroostbaar”

Met mijn vader heb ik nooit gesproken over de dood van mijn moeder. Toch hadden we een goeie band, ik was echt gek op hem.

Op een avond stond mijn oma me op te wachten bij de balletles. Er was iets gebeurd met mijn vader, zei ze. In onze straat zag ik de ziekenwagen staan, er stonden heel veel mensen buiten, onder wie ook vrienden van mijn vader. Ik weet nog dat ik heel hard begon te roepen en te huilen. Tot iemand zei dat ik beter naar binnen kon gaan. Daar zag ik mijn vader liggen. In de zetel. Hij had een hartstilstand gekregen en was ter plekke overleden. Hij was 41 jaar.

Veel weet ik niet meer van die tijd. Ik heb het lang zo ver weggestopt dat de herinneringen vaag zijn. Ik heb nog twee jaar bij de vriendin van mijn vader gewoond, tot ik ging studeren. Voor haar moet het moeilijk zijn geweest. Ze stond er plots alleen voor met haar eigen twee kinderen en mij, en een huis dat ze moest afbetalen. Na een jaar had ze een nieuwe vriend. Daar heb ik het heel moeilijk mee gehad. Plots sliep er een onbekende man in het bed van mijn vader, zat hij aan tafel op de plek van mijn vader. Ik haatte hem.

Toen ik ging studeren, ging ik op kot. In de weekends kon ik terecht bij mijn stiefvader, de vriend van mijn moeder toen ze stierf. Die eerste periode op kot heb ik het heel moeilijk gehad. Ik wilde het allemaal vergeten, ging veel uit en studeerde weinig. Ik had het gevoel dat het niemand iets kon schelen wat ik had meegemaakt, voelde me echt alleen op de wereld.

Toen ik begon te werken en het leven in volle vaart op me afkwam, zat ik op een dieptepunt. Ik ben naar een psycholoog gestapt en volg nog altijd therapie. Het helpt, ik begin inzichten te krijgen waar ik iets mee kan. Het wordt tijd voor positieve dingen in mijn leven. Daar wil ik op focussen. Het gemis zal nooit opgevuld kunnen worden. Maar ik ben wel zelf verantwoordelijk voor wat ik met de rest van mijn leven wil doen.”

Meer getuigenissen:

Tekst: JOANIE DE RIJKE Beeld: LIESBET PEREMANS