Column: als de dood me in de ogen staart, blijf ik ijzig kalm

“Ging ik mijn slipper niet halen, dan stierf die de verpletteringsdood, en anders ik.” Chef mode Els Keymeulen stond voor een waanzinnig (gevaarlijk) dilemma:

Ik heb de afgelopen week iets over mezelf bijgeleerd. Namelijk: als de dood me in de ogen staart, blijf ik ijzig kalm. Ik begin niet te gillen, noch hysterisch heen en weer te rennen – ik sta als aan de grond genageld, tot ik door een panikerende voorbijganger van het kruispunt word gesleept. Maar misschien willen jullie graag eerst weten waar ik het in godsnaam over heb: wel, komt-ie.

Me myself & Gucci #milan #onthegoagain #springtime

A post shared by Els Keymeulen (@els_keymeulen) on

Mijn trouwe lezers weten het vast nog; ergens begin vorig seizoen heb ik geïnvesteerd in een paar Gucci-schoenen met bont erin. Het soort sloef dat enkel in modekringen wordt geapprecieerd, en dan nog. Ze zijn van het pantoffel-soort: erg makkelijk te dragen, plat, lekker warm, en je schuift er gewoon je voeten in. Dat maakt dat ik ze doorgaans aanschiet als het snel moet gaan: rap rap nog naar de winkel, snel snel de kinderen van school halen, vlug vlug nog richting trein rennen. Zo ook vorige week: ik werkte thuis, merkte (te laat) dat de school al bijna dichtging en mijn kinderen er nog altijd zaten, vast al met het boekentasje op de rug, hongerig, zich afvragend of ze daar zouden moeten overnachten. Ik en mijn bontslippers sprongen op de bakfiets en ik trapte me het zuur om toch maar op tijd aan de school- poort te arriveren. Ter hoogte van het drukste kruispunt van de Jan Van Rijswijcklaan – ik was nog vlug door het oranje gereden – raakte ik het tramspoor en schoot mijn rechtervoet van de trapper. Mijn loafer vloog de lucht in, tolde over de kop en kwam met een doffe plof neer – pal in het midden van het kruispunt. Ik spoelde vooruit in mijn hoofd terwijl ik aan de overkant arriveerde: als ik mijn slipper niet ging halen, zou die de verpletteringsdood sterven. Als ik mijn slipper wel ging halen, zou ik de verpletteringsdood sterven. Kortom: ik ging. Ik liet mijn bakfiets achter en snelde op één blote voet het kruispunt op, terwijl de massa auto’s zich in beweging zette en luid toeterend op me af kwam gereden.

‘Ging ik mijn slipper niet halen, dan stierf die de verpletteringsdood, en anders ik. Ik ging’

‘Stop!’, riep ik, en ik maakte er een dramatisch handgebaar bij (oké nee, ik flapperde gewoon wat lukraak met mijn handen). Ondertussen greep ik mijn slipper en zwaaide ermee in de lucht, in een desperate poging te illustreren waarom ik het verkeer ophield: ‘HET BETREFT HIER WEL EEN GUCCI, ZIEN JULLIE DAT DAN NIET?’. De tram kwam luid bellend dichterbij, en plots wist ik het allemaal niet meer. Daar stond ik, op het kruispunt. Met één slipper in de hand, en één aan de voet (dat ze daar eens een spreek- woord van maken). Met een onbemande bakfiets aan de overkant, met daarin mijn handtas. Met mijn kinderen in de ondertussen gesloten school. En met een tram die nu écht bijna tegen mijn enkels reed. Paniek dus, en ik bevroor. Ik durfde niet meer vooruit of achteruit, en ik dacht: als ik nu doodgereden word, dan zou dat wel belachelijk zijn. Mijn man gaat er niet mee kunnen lachen. Toen greep een fietser me bij de elleboog; de arme man dacht ongetwijfeld dat ik gek geworden was. Hij bracht me naar de overkant, schudde nog eens met zijn hoofd – en de tram reed door, over de plek waar tien seconden geleden nog een bonten Gucci- loafer lag. Een halfuur later stond ik bij de schoolpoort, alwaar mijn kinderen me vroegen waarom ik zo veel te laat was. ‘Mama had haar schoen verloren’. ‘Ahaa’, zei mijn dochter, ‘dáárom heb je je pantoffels aan’.

Lees hier de vorige columns van Els:

SHARE