Ze zijn verschillend, maar lijken hard op elkaar. En hoewel ze vaak ruzie maken, steunen ze elkaar altijd door dik en dun. Laurien, Elke en Astrid vertellen hoe het is om lid te zijn van een drieling.

Astrid: “Laurien zie ik het meest, wij wonen samen in een huisje in Leuven. Dat werkt prima, op hier en daar een discussie na. Wij waren altijd al veel samen, al zaten we niet in dezelfde klas, onze ouders vroegen dat bewust. En eigenlijk was dat wel goed, zo werden we niet gezien als één individu en konden we onze eigen karakters ontwikkelen. We zijn allemaal verschillend. Laurien en Elke zijn het drukste. Zij maken daarom het vaakst ruzie samen. Laurien geeft graag steken en Elke zit altijd snel op haar paard. Ik ben de rustige van ons drieën.”

Elke: “Ik zit twee straten verder op kot en dat vind ik eigenlijk helemaal niet erg. We doen allemaal ons eigen ding. Ik houd bijvoorbeeld van technofeestjes, terwijl Astrid en Laurien dat ‘boenkmuziek’ vinden. Dat was vroeger al zo: ik was de eerste die uit wilde. Mama kent Leuven goed en vertrouwde het dus niet helemaal. Amai, ik heb moeten zagen. En toen Laurien en Astrid later wilden gaan, had ik het natuurlijk al opgelost.”

Laurien: “Ik zit ondertussen in een studentenkring en ga naar cantussen en fuiven.”

Astrid: “Muziek is voor ons allemaal belangrijk, maar ik ga wel minder feesten.”

Elke: “Ik ook minder dan vroeger, net omdat ik er zo vroeg bij was. Ik ben ook veel bij mijn lief. Astrid ook. Ik ben blij om te zien hoe gelukkig ze is met Thomas. Ik word weer droevig als ik denk aan de breuk met haar vorig lief.”

Als een van ons drieën verdrietig is, zien we dat meteen en springen we voor elkaar in de bres.

Astrid: “Ze zagen toen meteen dat er iets scheelde en lieten alles vallen om me te steunen. Maar eind goed, al goed: ik ben al meer dan een jaar gelukkig nu.”

Elke: “Dat is het voordeel van een drieling zijn. Als een van ons drieën verdrietig is, zien we dat meteen en springen we voor elkaar in de bres.”

Laurien: “Toen onze opa stierf op ons elfde, waren we dagen onafscheidelijk. We hadden een bijzondere band met hem, en bij elkaar vonden we steun.”

Elke: “Dat is altijd zo geweest. Omdat ik als laatste geboren ben, had ik een afwijking aan mijn ogen en kon ik moeilijker stappen. Ik was het ‘dutske’ dat niet altijd goed kon volgen. Maar mijn zussen namen mij altijd mee op sleeptouw.”

Astrid: “Als we samen gingen wandelen of op kamp gingen, hielpen we Elke. Daar dachten we niet eens over na, dat was een reflex.”

Laurien: “Soms moesten we haar vooruitduwen als ze moeilijk mee kon. Eigenlijk was dat grappig, maar we lachten haar niet uit, hoor. En dat hoefde ook niemand te proberen, want dan gingen we meteen in de verdediging met z’n tweeën.”

Elke: “Het was heerlijk om samen op kamp te gaan. Want je had altijd een stukje van thuis bij op vakantie. We ergerden ons ook aan dezelfde dingen en mensen, één blik was voldoende (lacht).”

Astrid: “Dat steunen zit ook in kleine dingen: toen Elke een paar weken geleden met een neuspiercing thuiskwam, was mama in shock. Wij hebben haar verdedigd.”

Elke: “Dat is heel fijn, want dat had ik niet verwacht. Al zou ik zelf geen drieling willen. Onze ouders moeten soms afgezien hebben. Zeker met mij, ik was een vreselijke puber. En arme papa met z’n vier drukke vrouwen in huis, nog een geluk dat hij zo’n rustige mens is.”

 

Meer verhalen van onze lezeressen:

(Foto: Duncan Defey)