Het ene moment ben je on top of the world, het andere overweeg je serieus om jezelf onder de eerste trein te gooien. Na jaren heeft Laura geleerd hoe te (over)leven met een bipolaire stoornis.

Waanzin in mijn hoofd

  Laura: “Ik stond op het perron en de trein kwam steeds dichterbij. De vraag was niet zozeer óf ik voor het gevaarte zou springen, maar wanneer ik dat zou doen. Want dat ik dood wilde, daar was ik absoluut van overtuigd. Of nee, dat is fout uitgedrukt. Ik wilde niet dood, ik wilde dat de waanzin in mijn hoofd zou ophouden. Wat die waanzin is, is moeilijk te omschrijven als je het nog nooit hebt meegemaakt. Het is het gevoel alsof je gedachten constant als vijf Thalyssen en tien Eurostars met topsnelheid door je hoofd razen. Een onmetelijke stroom aan informatie, impressies en herinneringen die je overvallen. Alsof je brein een computer is die alle mappen die op de harde schijf staan tegelijk laat openklappen en al hun inhoud ongefilterd naar buiten spuwt.”

Alsof je gedachten constant als vijf Thalyssen en tien Eurostars met topsnelheid door je hoofd razen

Op zulke momenten kun je niets nog doen, behalve proberen kalm te blijven. In de loop der jaren heb ik dat geleerd, maar toen, ik was een jaar of twintig, kon ik dat nog niet. Bovendien had ik nauwelijks info over bipolariteit. De diagnose was nog niet gesteld en het internet stond nog in zijn kinderschoenen. Je kon dus nauwelijks iets opzoeken.

Lachen, maar sterven vanbinnen

Uiteindelijk ben ik, uiteraard, nooit voor die trein gesprongen. Een gesprek met een goede vriendin dat ik even tevoren had gehad, weerhield me daarvan. Ook zij kampte met psychische problemen en ook zij had al eens een poging tot zelfdoding overwogen. Maar ze deed het niet, want, en dat vond ik een heel belangrijke vaststelling: ‘Als je er een einde aan maakt, is het voorgoed gedaan en krijg je nooit nog een tweede kans’. Het is die gedachte die me er in mijn somberste momenten bovenop hielp. Die verhinderde dat ik de daad bij de gedachte zou voegen.

Ik moet een jaar of zestien zijn geweest toen ik merkte dat er iets niet in de haak was. Ik was op vakantie met mijn ouders en een bevriend gezin in de Provence voor wat een droomvakantie moest worden. Alles zat mee: er was lekker eten, het weer was fantastisch en we deden regelmatig culturele uitstapjes – daar was ik echt verzot op. En toch merkte ik dat er iets niet klopte. Ik voelde me lusteloos, niets leek me nog te interesseren. Pas jaren later heb ik beseft dat dat mijn eerste ervaring moet zijn geweest met wat ik nu als een lichte depressie zou herkennen. De komende twee jaar ging het zo verder. Af en toe merkte ik dat het even niet ging. Dan begon ik te twijfelen aan mezelf, aan mijn vrienden, aan alles. Het kwam voor dat ik zo diep zat dat ik even niet naar school kon. De huisdokter schreef me dan een weekje rust voor om de ergste periode door te komen en een week erna stapte ik gemaakt vrolijk weer de klas binnen, met het excuus dat ik een gemeen buikgriepje achter de rug had. Natuurlijk voelde ik me na die week nog niet veel beter, maar ik leerde in de loop der jaren te doen alsof alles in orde was, terwijl ik vanbinnen aan het sterven was.

In een vat charisma gevallen

Het was in mijn eerste jaar aan de universiteit dat ik voor het eerst een lichte manie kreeg. Opnieuw: als je het nooit hebt meegemaakt, is het heel moeilijk te beschrijven wat dat precies is. Het voelt alsof je constant in een roes zit. Je bent queen of the world, echt waar. Alles waar je je aan zet, lijkt te lukken. Je kunt multitasken als de besten, bent ongelooflijk gevat, je windt bij wijze van spreken iedereen om je vinger. Ik had ook ongelooflijk veel succes bij de andere sekse. Alsof ik opeens in vat charisma was gevallen. Zo’n manie voelt in één woord fantastisch.

Maar what goes up, must come down en zo gaat het ook met bipolariteit. Na een periode van enkele weken waarin ik me on top of the world voelde – wel met veel te weinig slaap, want je hebt de energie van honderdduizend man – komt de val, steil naar beneden. Opeens ben je niets meer. Je twijfelt aan alles, voelt je niets meer waard. En dat had ook fysieke gevolgen. Bepaalde bewegingen gingen opeens niet vlot meer, alsof ik constant een soort stijfheid had en mijn lichaam niet meer wilde luisteren naar wat mijn hoofd beval. Heel bevreemdend was dat. Stond ik bij de bakker en slaagde ik er amper in om geld uit mijn portemonnee te halen. Of dan gaf ik iemand een hand en merkte ik dat ik naast die hand terechtkwam. Alsof ik opeens de meest klungelige persoon op de wereld was.

Opeens ben je niets meer. Je twijfelt aan alles, voelt je niets meer waard

Om mijn hoofd in periodes dat het weer op tilt sloeg te kalmeren, begon ik steeds vaker naar cannabis te grijpen. Ik merkte dat een paar joints me rustig maakten. Dat die drugs er zowaar in slaagden om de gekte die zich in mijn koker afspeelde tot rust te laten komen. Dat was een bevrijding. Maar niet voor lang. Na een paar maanden kwam ik in een diepe depressie terecht. Na twee weken zonder beterschap, stelde de huisarts voor om een psychiater te raadplegen. Dat was voor mij een schok: nu was onomstotelijk het bewijs geleverd dat ik ‘anders’ was. Gestoord. Gek. Het werd een vreselijke ervaring. Ik moest de ene na de andere confronterende vraag beantwoorden en op veel empathie leek ik niet te moeten rekenen: de man handelde zijn lijstje af en dat was het. Op het eind kwamen ook mijn zelfmoordgedachten ter sprake. Mijn ouders, die me naar de dokter hadden gebracht, werden erbij geroepen. Ze reageerden, uiteraard, in shock. Mijn moeder begon te huilen, mijn vader zweeg in alle talen. Uiteindelijk kreeg ik een antidepressivum voorgeschreven dat ik ongeveer twee jaar zou nemen. Het hielp tegen de downs en verder stelde ik er niet veel vragen bij.

Liever een kater dan de chaos

De volgende jaren waren vrij stabiel. Ja, ik had regelmatig ups en downs, maar ik leerde ermee leven. Soms bleef ik thuis van het werk als het echt niet ging, soms speelde ik gewoon komedie dat alles goed ging. Beleefde ik een high, zoals ik mijn manische periodes noemde, dan ging ik uit als een bezetene – bijna elke avond belandde ik wel met een man in bed. Bovendien spendeerde ik gigantisch veel geld aan restaurants, champagne en designerkleren. Ik had van mijn ouders een aanzienlijk bedrag gekregen en dat heb ik er in geen jaar doorgejaagd. Spijt? Nu wel. Maar anderzijds heb ik wel een tijdje een geweldig amusant leven gehad, waar ik nog altijd met plezier op terugkijk.

En er kwam iets anders in mijn leven: nu ik plechtig had moeten beloven om me niet meer met drugs in te laten, begon ik steeds vaker naar de drank te grijpen. Omdat het me een gevoel gaf van de roes die ik ook tijdens mijn ups had, maar ook omdat ik niets zo heerlijk vond als een kater, hoe raar dat ook klinkt. Een hoofd vol watten is nog altijd een pak aangenamer dan een waarin rusteloosheid troef is. Ik had – en heb nog steeds – vrienden die zelf zware drinkers zijn, het viel dus niet echt op dat ik er bij momenten zwaar overging. Acht cocktails en daarna nog een aantal glazen wijn, dat was mijn recept voor een avondje uit. Belachelijk veel natuurlijk, maar het werkte. Tot een jaar of vijf geleden. Opeens merkte ik dat ik een afspraak moest afzeggen omdat ik de avond tevoren veel te veel had gedronken en compleet knockout was. Dat begon zich vaker voor te doen. Mijn vriend begon zich zorgen te maken, maar ik deed dat af als aanstellerij. Onze relatie zat sowieso niet goed meer. Wanneer ik weer eens in een up zat, bleef ik lang nadat mijn vriendinnen naar huis waren op café hangen, vaak in het gezelschap van mannen die ik die avond zelf had leren kennen. Het is geregeld voorgekomen dat mijn vriend me midden in de nacht is komen wegplukken, terwijl ik stiepelzat in de armen van een onbekende man lag. Wat uiteraard voor verschrikkelijke ruzies zorgde de dag erna.

Genieten van elke stabiele dag

Een jaar of vijf geleden is dan het onvermijdelijke gebeurd: ik ben volledig gecrasht. Het kwam na alweer een periode van een stevige manie met veel te weinig slaap en veel te veel prikkels. Hoe het gebeurde, is me nog altijd niet duidelijk, maar van de ene op de andere dag zat ik in de ergste depressie die ik al had meegemaakt. Een bezoekje aan mijn psychiater bevestigde wat ik al vreesde: een opname op een psychiatrische afdeling was noodzakelijk. Ik zag daar gigantisch tegenop: in mijn verbeelding kwam ik er terecht bij een hoop gekken. Marginalen die niet in staat waren om een normaal leven te leiden. De realiteit bleek helemaal anders. Ik maakte er kennis met mensen die ook zwaar depressief waren. Die een burn-out hadden. Een psychose hadden meegemaakt. Het deed me zowaar plezier om openlijk met lotgenoten te kunnen praten over psychische problemen. Niet dat ik het daar niet met vriendinnen over kon hebben, maar hier waren de ervaringsdeskundigen niet te tellen en dat maakte het toch anders. Tijdens mijn opname werd de diagnose van bipolariteit voor het eerst gesteld. Een opdoffer, al wist ik het eigenlijk al.

Ik ben er uiteindelijk een goeie twee weken gebleven, wat erg kort is, al heb ik nog wel twee maanden thuis moeten herstellen. Mijn psychiater raadde me aan om met medicatie te beginnen, maar dat weigerde ik. Ik wilde het zonder proberen. Wel werd me aangeraden om wekelijks naar een psychotherapeut te gaan en dat heeft me enorm geholpen. Ik kan bij hem mijn hoofd leegmaken, vertellen wat er in me omgaat, zonder dat er geoordeeld wordt. Een tijdje ging het goed, maar toen staken de ups en downs weer de kop op. Ik belandde weer in een manische periode en die werd, alweer, gevolgd door een depressie. Een tweede opname drong zich op en deze keer werd geopperd dat medicatie onontbeerlijk was. Ik had er nog steeds moeite mee, ik was bang om afgevlakt te worden, maar ik besefte ook wel dat het zo niet verder kon. In het begin was het echt een trial-and-error om de juiste dosis te vinden. Wekenlang heb ik als een plant op de zetel gelegen, omdat de dosering nog niet op punt stond. Dat was hard, maar ik wist dat ik moest doorzetten. Na een paar maanden is de juiste dosering gevonden: ik neem nu een neurolepticum dat me met beide benen op de grond houdt en een antipsychoticum dat helpt tegen de overdosis aan indrukken. Sindsdien kan ik zeggen dat ik een ander mens ben geworden. Ik ben veel rustiger, voel niet langer de nood om tot ’s morgens uit te gaan. Natuurlijk mis ik de ups af en toe. Maar ik besef maar al te goed dat die niet zonder downs komen en daar ben ik nu voorgoed van af. Of ik zo stabiel zal blijven? Dat kan niemand zeggen. Ik hoop erop en indien niet, word ik nog maar eens opgenomen. Dat is niet langer een taboe meer.

Ik heb voor tweehonderd procent geleefd en dat pakken ze me nooit meer af

Ik heb mijn stoornis intussen volledig aanvaard. Sterker: ik zie ze als iets positiefs. Ik ben erin geslaagd om uit diepe dalen te klimmen en dat heeft me, hoe cliché dat ook klinkt, veel sterker gemaakt dan de persoon die ik voordien was. Ik heb voor tweehonderd procent geleefd en dat pakken ze me nooit meer af. Nu geniet ik van elke dag dat ik stabiel ben. En geloof me: dat maakt me intens gelukkig.

Meer getuigenissen van lezeressen:

Door: Helena De Jaeger