Je hebt zo van die mensen die álles meegekregen hebben. Beauty, brains, en nog heel wat andere talenten. Wat je soms doet zuchten: is er eigenlijk iets wat ze niet kunnen? Wij spraken met enkele van hen en ontdekten dat alles kunnen ook best lastig is. Vandaag: Selattin, oftewel ‘Homo Universalis’ uit Iedereen Beroemd.

“Ik heb meegedaan aan het programma omdat ik graag spelletjes speel. Negenennegentig opdrachten uitvoeren en zo de titel van ‘Meest universele mens van Vlaanderen’ winnen: dat leek me wel iets. ’t Was vooral mijn zus die me overtuigd heeft. ‘Dat is écht iets voor jou, Selattin’, zei ze. ‘Want jij kunt altijd alles’. Dat is natuurlijk een overdrijving, maar ’t klopt wel dat veel vrienden bij mij komen aankloppen als ze een probleem hebben. Een kapotte printer, een kader die moet opgehangen worden, een kampvuur dat niet aangestoken raakt? Selattin zal het wel doen. Ik ben een van de weinigen die nog iets kán, merk ik. Met mijn handen, bedoel ik dan. Dat heb ik te danken aan mijn vader en mijn opa. Al sinds ik klein was, mocht ik helpen bij hun klusjes. Daarom was ik ook zo goed in alle praktische proeven. Een stoel in elkaar steken, een schroef aandraaien… Veel lastiger vond ik de proeven die louter een kwestie van geluk waren, omdat ik die niet in de hand had. Maar kijk, ik ben het geworden. Toen ze mijn naam afriepen, heb ik een traantje gelaten. De ‘echte’ prijs, dat ik een jaar lang gratis mag reizen, is mooi meegenomen, maar de titel vind ik veel waardevoller. ’t Is een beetje als De Slimste Mens ter Wereld. Ik ben de meest allround mens. En daar ben ik best fier op.

Selattin (18) : ‘Mijn grootste talent is snel eten: een bord spaghetti in een halve minuut. Hoe nuttig is dat?

Er zijn natuurlijk heel wat dingen die ik níét goed kan. Dansen, zingen. Ik kan maar één kant van een Rubiks Kubus maken. Mijn vriendin is veel beter met kinderen. En ik ben verschrikkelijk in smalltalk. Als er één talent is dat ik zou willen hebben, is het dat. Gesprekken aanknopen vind ik verschrikkelijk. Daarom wil ik bijvoorbeeld geen dokter worden. De hele dag praten met mensen… Niets voor mij. Ik ga een ingenieursstudie aanvatten. Als kind wilde ik al uitvinder worden. Ik was het gastje dat de koptelefoon uit elkaar haalde om te zien hoe die in elkaar zat en die niet meer in elkaar kreeg. Zo getalenteerd ben ik dus niet (lacht). Mijn grootste probleem is dat ik weinig doorzettingsvermogen heb. Het moet voor mij vooral leuk zijn. Daarom was het programma ideaal: je moest niet de beste zijn, je moest vooral niet de slechtste zijn. De slechtste viel af, alle anderen gingen door. Eigenlijk is dat een beetje mijn levensmotto. Mijn ouders hebben altijd hard gewerkt: mijn vader is een varkensboer en heeft een drukkerij, mijn moeder is leerkracht en helpt in de drukkerij. Ze hebben nooit veel tijd gehad voor ons. Niet dat ik dat erg vond, want op die manier ben ik erg zelfstandig geworden. Maar ik wil het anders doen. Ik wil niet de beste zijn, ik wil vooral genieten. Als je aan mij vraagt wat mijn grootste talent is, dan antwoord ik: snel eten. Op de Chiro hebben we eens een wedstrijd spaghetti eten gehouden en mijn bord was als eerste leeg. Op minder dan een halve minuut. Dat vind ik een nuttig talent. Want het zorgt ervoor dat ik ’s ochtends langer in bed kan liggen (lacht).”

Meer getuigenissen:

Met dank aan het museum Plantin-Moretus in Antwerpen (UNESCO Werelderfgoed).

(Tekst: Lisa Gabriëls –  Foto: Duncan De Fey)